Lege handen

(Over de bundel ’s Middags zwem ik in de Noordzee van Wim Brands. Dit stuk werd eerder gepubliceerd in Awater.)

Ergens in ’s Middags zwem ik in de Noordzee schrijft Wim Brands over ‘het wonder van onze lege handen’. Dat is een citaat uit Georges Bernanos’ Journal d’un curé de campagne, de basis voor Robert Bressons gelijknamige film. In zowel boek als film zegt de hoofdpersoon: ‘Wat schitterend dat we anderen een vrede kunnen schenken die we zelf niet bezitten. Oh, het wonder van onze lege handen.’

Je zou kunnen zeggen dat Wim Brands’ dichterschap gaat over die schenking. Die vindt in zijn werk eigenlijk altijd plaats als er iets spaak loopt. Zoals in deze bundel een gedicht over een dichtregel van Auden, ‘The poets know the names of the seas’. Een mislukte regel, schrijft Brands, maar ook de drukker maakte een fout, waardoor er kwam te staan: ‘The ports know the names of the seas’. Zo ontstaat via een zetfout een geslaagde dichtregel. ‘Wees blij met wat er fout gaat’, is dan ook Brands’ devies.

Dit geeft Brands’ poëzie iets van een fundamentele openheid. Ik heb er hierom altijd van gehouden. Toch wringt er ook iets. Soms lijkt Brands zó gericht op zoek naar die lege handen, dat die handen niet leeg zijn, maar juist vol van de leegte die hij zoekt.

’s Middags zwem ik in de Noordzee is Brands’ eerste bundel die boven deze omkering uitstijgt. Van groot belang daarbij is dat het ook zijn meest persoonlijke bundel is, vol met ontboezemingen over de ernstige ziekte van zijn echtgenote, de zelfmoord van zijn epileptische vader en zijn eigen dwangneuroses. Dat laat de inzet van die lege handen verschuiven: omdat de gedichten zo persoonlijk zijn, wordt de leegte van die handen voelbaar, is ze niet alleen mooi, maar doet ze ook echt pijn, is ze ook echt wanhopig. Over zijn zieke geliefde dicht Brands:

Wat er ook is, het zal de natuur een
zorg zijn.

Het waait, het waaide – buiten klonk
de troost van de onverschilligheid.

Het persoonlijke element verricht in Brands’ poëzie ook een poëticaal wonder. In een brief aan zijn jongere ik – een hoogtepunt – vertelt hij hoe hij aan zijn dwangneuroses kon ontsnappen door ‘het lezen van boeken, het schrijven, het maken van programma’s’. Lees: door aan zichzelf te ontsnappen in het leven van een ander. In dezelfde brief vertelt Brands hoe hij zijn vader – met wie hij een op zijn zachtst gezegd moeizame relatie had – na een epileptische aanval niet hielp, maar achterliet in de sloot waarin hij was gevallen. Hij drukt zijn jongere zelf op het hart ‘dat hij zich niet hoeft te schamen./ Hij vlucht niet./ Hij ontsnapt.’

Ineens snap je dat Brands niet zozeer op zoek is naar lege handen, maar naar ontsnapping. Je zou haast zeggen: op een dwangmatige manier.

Juist dat zelfbewustzijn, dat door zelfonderzoek ontstaat, bewerkstelligt een omkering in Brands’ poëzie. De bundel sluit af met een reeks gedichten die, al zijn het óók verhaaltjes, haaks staan op zijn vroegere werk. Het zijn gedichten geschreven bij een ‘Eenzame Uitvaart’, een uitvaart van iemand zonder nabestaanden. Omdat er maar weinig van de doden bekend is, vult Brands de gedichten met eigen herinneringen. Zo wordt er een personage opgetuigd, waarvan je één ding weet: dat is niet degene in de kist. Maar ja, welk gezicht kun je iemand zonder gezicht geven, anders dan een gezicht dat je verzint?

Die onbevredigende vaststelling is precies wat die gedichten zo sterk maakt. Brands staat misschien wel voor het eerst écht met lege handen. En hij geeft niet meer toe aan de dwangmatige neiging tot ontsnappen, nee, hij blijft daar staan, bij die kist, in al zijn ontoereikendheid. Juist in de lacune – die pijn doet en op geen enkele manier bevrijdend is – ontstaat een ruimte waarin zich een werkelijk gezicht kan tonen. En zo schenkt Brands als nooit tevoren datgene wat hij niet bezit.