Een bevriende dichter, die na de dood van Wim Brands zijn bundel ’s Middags zwem ik in de Noordzee had herlezen, zei me dat hij uit de gedichten nu meer dan ooit een soort fundamentele eenzaamheid vond spreken. Het is begrijpelijk om zoiets te zeggen. Als achterblijver na een zelfmoord zoek je naar verklaringen voor die in de grond onverklaarbare daad. Met ‘onverklaarbaar’ bedoel ik niet dat er geen rationalisaties te bedenken zijn die die daad een zekere mate van logica verschaffen en hem zo ‘begrijpelijk’ maken voor mensen die zich niet in de geestesgesteldheid bevinden van iemand die hem begaat. Maar zoals Joost Zwagerman – een van de beste essayisten over het onderwerp – schreef over de zelfmoord van Herman Brood en de clichés over het ‘respecteren’ van zijn keuze die destijds overal in de media opdoken: ‘Misschien wel de belangrijkste zin in The Savage God [van A. Alvarez, JB] is deze: “Iemand die besloten heeft zelfmoord te plegen gaat een afgesloten, voor anderen ontoegankelijke maar volkomen overtuigende wereld binnen waar elk detail klopt en elke gebeurtenis zijn besluit versterkt.” Iedereen lijkt Broods “overtuigende wereld”, de wereld van de sprong, klakkeloos te accepteren. Akkoord, maar accepteer dan ook het ónacceptabele: de “afgesloten wereld”. Door te springen verklaarde Herman Brood dat niemand hem in de laatste periode voor zijn zelfmoord nog mocht en kon bereiken.’

Zoals het achteraf naar de zelfmoord toe redeneren van iemands persoonlijkheid onverdraaglijk moet zijn voor diens nabestaanden, zo vind ik het onverdraaglijk zoals laatste dichtbundels van zelfmoord plegende schrijvers worden toegeredeneerd naar hun daad. Het is recentelijk nog gebeurd met Zwagermans Wakend over God. En het klassieke voorbeeld is Lunchpauzegedichten van Jan Arends, die op de dag van het verschijnen van de bundel zichzelf van het leven beroofde. Haast onvermijdelijk reduceerde dit Lunchpauzegedichten tot de aankondiging van het annuleren van de mens die deze schitterende bundel schreef.

Is Lunchpauzegedichten dat dan niet? Het is een van de meest duistere bundels die ik ken, waarin je uitermate veel ‘argumenten’ voor het beëindigen van je leven kunt lezen. Maar de crux is: de bundel is er, hij is geschreven, en daarmee is de creatieve daad die achter de bundel schuilt diametraal tegenovergesteld aan de geestesgesteldheid van de zelfmoordenaar zoals die door A. Alvarez en Zwagerman wordt beschreven. Er bestaan simpelweg geen kunstwerken van mensen die niet bereikt willen worden. Creatie is, in alle vormen, het tegenovergestelde van de dood.

Het reduceren van iemands persoonlijkheid of iemands kunstwerk tot de zelfmoorddaad die hij na het maken van dat werk heeft begaan, zuigt postuum alle levensvatbaarheid uit het werk weg, en daarmee ook uit de persoon. Zeggen dat het lezen van het werk de daad achteraf begrijpelijker maakt, maakt de daad het logische gevolg van het werk, en maakt die daad zelf daarmee iets onvermijdelijks. Zelfs dat Arends op de dag van verschijnen van Lunchpauzegedichten zichzelf doodde, laat onverlet dat hij het na het schrijven van ieder duister, pijnlijk gedicht niet deed, zoals hij het ook op die noodlottige dag niet had kunnen doen. Arends schrijft over doodsverlangen, zeker. Maar de keuze om van dat doodsverlangen een gedicht te maken is hoe dan ook een radicaal andere keuze dan om het doodsverlangen daadwerkelijk te volbrengen.

Zeggen dat Arends’ zelfmoord meer te maken kon hebben met dat het schrijven (en daarmee zijn redding) ‘op’ was, is een even grove en onvergeeflijke speculatie als zeggen dat zijn daad de ultieme uitkomst van zijn oeuvre was. Al is het wel zo dat voor mij persoonlijk Arends’ gang door de duisternis – en niet alleen het feit dat hij daarover communiceert maar ook dat hij demonstreert dat die gang tot creatie (tot leven) kan leiden – een bundel opleverde die mij na aan het hart ligt omdat hij met al zijn doodswil juist levensbevestigend is. Het punt is dat die levensbevestigende kwaliteit van schepping alleen bewaard kan blijven als we het onverklaarbare en onverdraaglijke gat dat iemand na een zelfdoding achterlaat precies als zodanig bevestigen: een onverklaarbaar en onverdraaglijk mysterie, onbereikbaar als de mens zelf op het moment van zijn zelfmoord. Er zit een fundamentele breuk tussen de mens in die staat en diezelfde mens vóór hij die ruimte ingaat, hoe afgrondelijk depressief hij ook is.

Beweren dat ik Wim Brands een beetje kende gaat eigenlijk al te ver. Ik hield van zijn dichterschap, en verder kwam ik hem af en toe tegen. Op poëziebijeenkomsten, in mijn hoedanigheid als programmamaker bij Perdu, maar bovenal als vaste klant bij Island Bookstore in Amsterdam, waar ik een tijd heb gewerkt. In die laatste hoedanigheid spraken wij regelmatig over voornamelijk Amerikaanse poëzie. Ik ken hem als iemand die, als het op literatuur aankwam, hartstochtelijk bewonderde én haatte. Wiens liefde voor de eenvoud van dichters als Robert Lax even groot was als de afkeer van de moeilijkdoenerij van Perdu. Achter zijn hartstochten school geen agenda, maar de onvoorwaardelijkheid van de liefde. Ik herinner me Brands als iemand die ja zei. Iemand die bereikt wilde worden en iemand die wilde bereiken.

Het ja van zijn laatste bundel ’s Middags zwem ik in de Noordzee is het mooiste ja dat ik van hem ken (ik besprak de bundel voor Awater, het hele stuk is hier te vinden). Zeker, het is een ja temidden van de afgrondelijke eenzaamheid die er óók uit spreekt, een afgrond die ieder ja ontoereikend maakt. Maar het is een ja. En dat is de kunst van het ja zeggen: je zegt het temidden van het vallen, je zegt het in al zijn ontoereikendheid. De Amerikaanse filosoof John Caputo schreef iets over gebeden dat volgens mij in zekere zin ook van toepassing is op gedichten: ‘Gebeden zijn pas echt gebeden als we niet weten of er iemand is om ze aan te horen of tot wie we bidden of om wat. In het onmogelijke vindt alles een aanvang.’ Ja zeggen doe je op het gevaar af dat er geen reden is om ja te zeggen, en door het te doen creëer je een plek waarin een ja kan onstaan. Dat is ‘het wonder van onze lege handen’ dat Brands aanhaalt in ’s Middags zwem ik in de Noordzee. Zijn zelfmoord heeft dat wonder niet teniet gedaan. Het blijft zich herhalen in iedere regel die hij geschreven heeft.

Zwagerman schreef dat hij zijn vriend Rogi Wieg wel volledig accepteerde, maar zijn doodswens niet. Volgens mij ligt het iets subtieler. Iemand met een doodswens accepteren is ook zijn doodswens daarin meenemen. En tegelijk betekent het dat je die persoon niet tot die doodswens reduceert, dat je oog blijft houden voor de vurige wens tot goed leven die hoe dan ook achter die wens verborgen ligt. Hetzelfde geldt voor dichtbundels. Laten we ’s Middags zwem ik in de Noordzee niet reduceren tot de onmiskenbare doodswens die Brands met zijn daad heeft gedemonstreerd. Laten we niet volgen in het uitsluiten van al het andere, alle andere verlangens en liefdes die vervat waren in zijn werk en leven, en waar hij op de een of andere manier op het moment zelf volledig van losgezongen moet zijn geweest. Laten we de dichter herinneren zoals hij gedurende zijn hele leven was, zijn oeuvre niet terugbrengen tot enkel het allerlaatste fatale moment, maar de levensvatbaarheid ervan vieren. Alsof ons leven ervan afhangt.