Literair tijdschrift Terras publiceerde in het nieuwe nummer mijn vertalingen van vijf gedichten uit de bundel Psalms (2010) van de Amerikaanse dichteres Joy Ladin. Van Ladin verscheen onlangs The Soul of the Stranger, een theologische verkenning van transgenderisme in de Torah. Eerder schreef ze een indringende memoir over haar eigen transitie: Through the door of life, a Jewish journey between genders (2012). En over hetzelfde onderwerp een alom bejubelde bundeltrilogie: Transmigrations (2009), Coming to Life (2010) en Impersonation (2015). Ook Psalms draait om dit onderwerp, zij het niet vanuit een autobiografisch perspectief, maar vanuit het oogpunt van religiositeit en het gebed. De bundel was van grote invloed op mijn eigen bundel Binnenplaats.

Het eerste van de vijf gedichten kun je lezen door op het plaatje rechtsboven te klikken. In de loop van de tijd zullen er op de website van Terras meer vertalingen (die niet in het tijdschrift staan) verschijnen. Het tijdschrift is verkrijgbaar bij de betere boekhandel (deze betere boekhandels), bestelbaar in alle boekhandels en via de website, waar je ook een abonnement kunt nemen.

Ik kwam Ladin op het spoor via een schitterend interview dat ze gaf op de podcast On Being. Beluister dat interview hier.

Uit het begeleidende essay:
Mens, dat zijn de gedichten in Psalms. Alleen al in de vorm. Bezigt Ladin het parlando van het vrije vers (weg van de tempel), of is ze lyrisch en ultra-vormvast (midden in de tempel)? Beide. De gedichten zijn pijnlijk direct en wekken de indruk dat iemand simpelweg leegloopt tegenover de God waarmee ze een appeltje te schillen heeft. En tegelijk laat ze geen kans onbenut op een halfrijm, een ritmisch effect, een beeldspraak of op welke andere techniek die de grote traditionele dichters inzetten dan ook. Wat de gedichten tóch parlando en vrij maakt, is dat Ladin deze technieken nooit inzet om de gedichten ‘mooi’ te maken. Ze zijn niet het product van iemand die ‘gelooft’ in de schoonheid van deze technieken, maar van iemand waarin het verlangen daarnaar niet te doden is. Hoe lelijk, onbeholpen en ongeliefd het lichaam ook is waarin dit verlangen zich voordoet, het verlangt naar de schoonheid en harmonie waarvan die poëtische technieken een uiting zijn. Psalms is een schreeuw van iemand die graag wil zingen. En die zich niet wil en niet kan neerleggen bij het feit dat die zang een dode, voorbije, zinloze vorm is.’