toen ik je kwijtraakte,
de eenentwintigste keer,
liep ik naar buiten,
het weefsel
in, dat jou
gauw niet meer
zou bevatten. zag
de enormiteit,
de almaar uitdijende
ruimte. het duizelde
me, maar ik
voelde je neerwaartse
kracht, mijn
innige, immer
imploderende ster

In Toen ik je kwijtraakte, de langverwachte tweede bundel van VSB Poëzieprijswinnaar Joost Baars, gaat het over verlies, de bereidheid tot verlies, de onverteerbaarheid ervan, en de potentie. Deels vindt dat zijn aanleiding in het overlijden van en de rouw om zijn moeder, die hij in intieme, indringende en muzikale gedichten benadert. Ook in andere gedichten is de dood nooit ver weg. Maar deze bundel is geen monument. Overal in de bundel klinkt de staat van de wereld door: ‘ik leef nu in een wereld die vergaat, mama,/ het leven hoort geen levende/ nog toe, en ik weet niet wat ik vast probeer/ te houden of verlies’. Daarin zingt Toen ik je kwijtraakte een heel ander lied, dat van de hedendaagse menselijke conditie, die ook alles met rouw te maken heeft. Dwars door de bundel loopt een stroom van intense, donkere en originele abstracte poëzie, waarin alles zijn beslag vindt.
In de bundel gaat het over twee schilderijen. Een van Frans Hoos, die zijn leerling en mijn grootvader Harry Winter op zijn rug gezien schilderde. En een schilderij van mijn grootvader, Harry Winter. Beiden vindt u hieronder.


Het gedicht met als beginregel ‘waarom wilt u mij smekende’ is verwerkt in een muziekstuk door de componist Willie Arets. Dat stuk kunt u hier horen: