CAConrad in Perdu

Standard

Ik ben enorm opgetogen, want samen met Frank Keizer mag ik op donderdagavond 5 maart in Perdu in Amsterdam CAConrad interviewen. CAConrad – komende maand op tournee door Europa – is zonder twijfel een van de meest bijzondere dichters uit de hedendaagse Amerikaanse poëzie. Zijn “(soma)tic poetry rituals” vormen een experimentele praktijk waarin niet zozeer formele of ideologische vernieuwing centraal staan, maar die een lichamelijke aanwezigheid moeten bewerkstelligen om zo een grensoverschrijdende creativiteit vrij te laten komen.

In het voorwoord zijn laatste bundel Ecodeviance, (Soma)tics for the Future Wilderness vertelt CAConrad over hoe hij zich als dichter en kunstenaar probeerde te bevrijden van de routines rond de fabrieksarbeid die de gemeenschap van zijn jeugd domineerde. Toen hij zich realiseerde dat hij het schrijven zelf op vele manieren als fabrieksarbeid behandelde – van met maken van gedichten tot het ordenen van inzendingen voor tijdschriften – belandde hij in een crisis. ‘Op een morgen maakte ik een lijst van de ernstigste gevolgen van de fabriek, en nummer één was “gebrek aan aanwezigheid”. (…) Die morgen begon ik met wat ik nu (Soma)tics noem, geritualiseerde structuren waarbinnen alles behalve aanwezig zijn nagenoeg onmogelijk is.’ Continue reading

Tot jezelf inkeren (2x)

Standard

‘We verkeren, horen we, in tal van crises – een ervan is ongetwijfeld dat het ons zoveel moeite lijkt te kosten de doden voort te laten bestaan. Het is alsof het vermogen op dit punt (dat alles met ritualiteit en “tot jezelf inkeren” te maken heeft) verzwakt is. Alsof mensen hulpelozer en weerlozer tegen de dood staan dan nodig; alsof levensmoed iets is wat weg kan sijpelen, het putje van het wetenschappelijk bewezen, postume nergens in.’

Dat schrijft Willem Jan Otten in zijn essay ‘Hoe de ene liefde de andere doodt’, in Letter & geest in Trouw van afgelopen zaterdag. Het essay gaat over de film Stellet Licht van de Mexicaanse filmer Carlos Reygadas. Aanstaande woensdag is die in De Balie in Amsterdam te zien. Otten leidt de film in, na afloop ben ik zijn gast om over de film te praten. Voor meer informatie en reserveren klikt u hier.

Van Edwin Fagel staat in de laatste editie van De Revisor een groot essay over poëzie als mystieke daad. Tussen uitvoerige besprekingen van het werk van Rozalie Hirs, Sasja Janssen en performancekunstenaar Deborah de Robertis, ruimt hij enkele alinea’s in voor mijn gedichtenreeks ‘binnenplaats’ die vorig jaar in Literair Tijdschrift Liter nummer 74 werden gepubliceerd: ‘Over die figuurlijke binnenplaats zei dichter C.O. Jellema eens naar Meister Eckhart: “Wat dit denkwerk mij aanbiedt is, om het op zijn kortst te zeggen, een zich aanbiedende God die, wanneer ik maar ruimte voor Hem maak in mezelf, in mij geboren wil worden, en wel zo, dat ik en Hij, Zijn zijn en mijn zijn één worden en in eenheid eeuwig.” Baars doet volgens mij hetzelfde. God neemt de ruimte die hij creëert en aanspreekt (de externe en interne binnenplaats) in deze gedichten niet zozeer in: ze is God: een lege plek. Het gaat bij Baars om een afwezige God die, door het geloof, in die afwezigheid aanwezig is.’

Het essay ‘De goddelijke kut’ van Edwin Fagel is gepubliceerd in De Revisor 8. Te verkrijgen bij de boekhandel om de hoek.

In Poëziekrant: ‘Een verlangen om te gaan bestaan’ (over de dichtbundel ‘Het volume van een logé’ van Annemieke Gerrist)

Standard

‘Bestaan, dat is een verlangen om te gaan bestaan, een verlangen om absoluut te worden in een wereld die zich nog voor je moet openenen. Letterlijk komt dat aan de orde in het geweldige titelgedicht van de bundel. Daarin overdenkt een logé zijn af- en aanwezigheid in het gezin waarbij ze logeert. ‘Het gezin is steviger dan 1 logé die vreemd is.’ schrijft Gerrist, en dat betekent ook: de bestaande werkelijkheid is steviger dan de vreemdeling die er nog geen onderdeel van is maar dat wel wil zijn. Als iedereen naar bed is, ontdekt de logé dat het bad vol water zit. Ze bedenkt zich hoe het water ‘het halve gezin’ moet hebben omgeven, ‘van volume heeft voorzien’ zoals Gerrist schrijft. Het water heeft de aanwezigen in het gezin in zich opgenomen. Ze vraagt zich af of het water in het bad voor haar bedoeld is, of iemand in het gezin het bad voor haar heeft laten vollopen. Met andere woorden: ze vraagt zich af of het volle bad een uitnodiging is: van het gezin om een bad te nemen, van het gezin om toe te treden tot hun wereld, van de werkelijkheid om er volume in in te nemen. Het bad is zo een uitnodiging tot lichamelijke aanwezigheid.’

Annemieke Gerrists tweede dichtbundel Het volume van een logé verscheen vorig jaar bij De Bezige Bij. Ik besprak hem in Poëziekrant 1, jaargang 39.

In Awater: ‘Lege handen’ (over de dichtbundel ”s Middags zwem ik in de Noordzee’ van Wim Brands

Standard

‘Ergens in ‘s Middags zwem ik in de Noordzee schrijft Wim Brands over ‘het wonder van onze lege handen’. Dat is een citaat uit Georges Bernanos’ Journal d’un curé de campagne, de basis voor Robert Bressons gelijknamige film. In zowel boek als film zegt de hoofdpersoon: ‘Wat schitterend dat we anderen een vrede kunnen schenken die we zelf niet bezitten. Oh, het wonder van onze lege handen.’ Je zou kunnen zeggen dat Wim Brands’ dichterschap gaat over die schenking. Die vindt in zijn werk eigenlijk altijd plaats als er iets spaak loopt. (…) Dit geeft Brands’ poëzie iets van een fundamentele openheid. Ik heb er hierom altijd van gehouden. Toch wringt er ook iets. Soms lijkt Brands zó gericht op zoek naar die lege handen, dat die handen niet leeg zijn, maar juist vol van de leegte die hij zoekt.’

Wim Brands schreef een prachtige dichtbundel, getiteld ‘s Middags zwem ik in de Noordzee. Ik schreef erover in het winternummer 2015 van poëzietijdschrift Awater. Te koop bij de betere boekhandel.

Op deRecensent.nl: ‘Wie naar het licht verlangt, zit in het donker’ (over ‘Sings Christmas Carols’ van Mark Kozelek)

Standard

‘Het is alsof Kozelek je in dat eerste Charlie Brown-nummer geruststelt: je mag dit positivisme vreselijk vinden, al dat gelul over licht, terwijl je in de duisternis zit – ik zit ook in de duisternis. Zo zingt hij de liedjes ook: lijzig, vermoeid haast, net iets te langzaam, soms zelfs net niet op toon. En warempel: alles krijgt nieuwe betekenis. Meteen in het tweede nummer is het raak. Het is ‘Do you hear what I hear?’ en Kozelek zingt: ‘A child, a child, sleeping in the night/ He will bring us goodness and light/ He will bring us goodness and light’. In een vastgedraaide traditie en de verplichting tot gezelligheid, positiviteit en samenzijn, zingt men deze regels vanuit het verplichte licht. Dan slaan ze dood in zelffelicitatie. Kozelek doet het anders. Hij zingt ze vanuit de duisternis.’

Mark Kozelek bracht onlangs een kerstplaat uit: Sings Christmas Carols. Daarover schreef ik een essay, dat nu op deRecensent.nl te lezen is.

Op deRecensent.nl: ‘I wanna be your drum instructor’ (over de film Whiplash)

Standard

“Fletcher tergt Andrew tot het uiterste, en dat levert spectaculaire verbale en muzikale tweegevechten op, die soms een klein beetje aan het eerste deel van Stanley Kubricks Full Metal Jacket doen denken. Het leidt tot de ondergang van zowel Andrew als Fletcher, en uiteindelijk tot hun beider wederopstanding. Het resultaat: Andrew bereikt te status van genie. Wellicht niet op fraaie wijze, wellicht met hier en daar wat slachtoffers, maar, zo lijkt de film de willen stellen, dat is het waard. Hoe hadden we anders Charlie Parker gehad?

Ware het niet dat dat verhaal van Parker niet klopt. Dat is op zich niet erg – het is niet verboden fictie te gebruiken in een film – maar de manier waarop het verhaal over Parker wordt verwrongen, zegt ook iets over Chazelles verwrongen ideeën over creativiteit die ten grondslag liggen aan Whiplash.”

Lees het stuk op deRecensent.nl.

Vertaling Morani Kornberg-Weiss op Samplekanon

Standard

Enige tijd geleden las ik een stuk van de Amerikaanse dichter Joe Hall over Dear Darwish, het debuut van de Israelisch/Amerikaanse dichter Morani Kornberg-Weiss. Daarin richt zij zich in brieven en gedichten (en alles daar tussenin) tot de grote Palestijnse dichter Mahmoud Darwish. Een moedig en breekbaar boek, dat ik in één ruk uit las. Kornberg-Weiss is na haar dienst in het IDF literatuur gaan studeren in Tel Aviv, maar moest naar Amerika uitwijken om zich te kunnen verdiepen in de lyrische traditie rondom het Israelisch-Palestijns conflict. Ik vertaalde enkele gedichten uit Dear Darwish, en die zijn nu te lezen op Samplekanon.

Nieuw Halverwege Chapbook: ‘Het omgekeerde van een pose’ van Anne Becking. Bestelbaar tot 17 november

Standard

Met Halverwege Chapbooks geef ik kleine dichtbundeltjes uit. Volledig vrij van verkoop- of subsidiedruk, want de chapbooks financieren zichzelf, doordat ze maar een beperkte tijd en alleen op vooruitbetaling te krijgen zijn (al zijn er ook een aantal fijne boekhandels die ze afnemen, en waar ze dus achteraf beperkt ook nog te krijgen zijn). Na een jaar stilte is zojuist de bestelperiode van start gegaan voor het zevende chapbook in de reeks: Het omgekeerde van een pose van Anne Becking. Dit wordt Beckings eerste publicatie op papier. In twaalf gedichten speelt ze met naaktheid, bedekking, lichamelijkheid, relatie, dans en mode. Mis het niet. Zie halverwegechapbooks.nl voor meer informatie, en lees daar ook het prachtige eerste gedicht uit het chapbook.

Interview met Edwin Fagel in Poëziekrant: ‘God is niet dood. Wij roepen haar in het leven’.

Standard

Zojuist verschenen in Poëziekrant: mijn interview met Edwin Fagel over zijn derde bundel nul. Een gesprek over de verbeelding, het Sublieme, extase, vernietiging, ritueel en dood. Over John Lennon, Mark Chapman en Volkert van der Graaf. Over Thomas Blondeau, aan wie Fagel in nul een lang gedicht wijdde. En over de vrouwelijke God: ‘God is… niet dood. Omdat wij er nog zijn en we God niet alleen nodig hebben, maar ook actief in het leven roepen. (…) Voor mij is God vrouwelijk, want ik kan me alleen voorstellen met een vrouw in een dergelijke intense relatie te staan.’

Liza de Rijk maakte er een geweldige queer-foto bij.

Lees en kijk in het oktobernummer (6, 2014) van Poëziekrant.

De vrijheid en de toekomst

Standard

UPDATE: Frénk van der Linden schreef een korte reactie op dit stuk. U vindt het, samen met mijn respons, in het naschrift.

Een paar dagen geleden werd de Syrisch/Palestijnse dichter Ghayath Almadhoun geciteerd in De Wereld Draait Door. Frénk van der Linden, die hem enige tijd daarvoor had geïnterviewd voor het NCRV-programma Altijd Wat, greep toen hem werd gevraagd naar de betekenis van de Amerikaanse aanval op ISIS terug naar een van zijn uitspraken. Omdat Damascus de oudste stad ter wereld was, zijn alle steden erna er afspiegelingen van, en dus, zo citeerde Van der Linden Almadhoun, zal er “geen vrede voor de mensheid zijn, als er geen vrijheid komt in Damascus, de oudste stad ter wereld.”

Ik fronste mijn wenkbrauwen. Vrede? Vrijheid? Daar had Almadhoun toch niet over gesproken? Toen ik het interview nog eens terugkeek, bleek dat inderdaad. Almadhoun had niet gezegd dat er zonder Damascus geen vrede is, en ook niet dat er voor wereldvrede vrijheid in Damascus zou moeten komen. Hij had gezegd dat hij zonder Damascus geen toekomst zag. Dit waren zijn precieze woorden: Continue reading